bron: Gemeentearchief Roosendaal
tekst: Th. de Caluwe CssR
Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw telt Roosendaal één kerkgebouw, de Sint Jan op de Markt. Na de aanleg van de spoorlijn, in 1854, en door het benutten van de waterwegen wordt er meer industrie aangetrokken en groeit de bevolking. Deze expansie voltrekt zich vooral ten westen van de spoorlijn, het zogenaamde 'klein Roosendaal'. Om die reden overweegt de parochie het bouwen van een bijkerk.
Juist in deze jaren zijn de Paters Redemptoristen op zoek naar een vestiging in West-Brabant. Vanwege hun activiteiten in deze streek - de Paters preken veel volksmissies - willen ze de niet geringe reistijd vanuit hun kloosters elders bekorten door hier uit te zien naar een geschikte plaats om een klooster te stichten. Tevens willen ze een openbare kerk bouwen, waardoor ze de lokale zielzorg wat kunnen verlichten. Van een parochiekerk kan geen sprake zijn, want hun eerste opdracht is de prediking van missies en retraites. Hierdoor zou de parochiële bediening niet optimaal kunnen zijn. Wanneer de Paters zich eenmaal in Roosendaal hebben gevestigd, ontplooien ze verschillende activiteiten, die niet alleen gericht zijn op de bevolking van de stad, maar ook op de wijde omgeving. Deze lokale en regionale functie zal de Paterskerk tot het einde toe behouden.
Na een verzoek aan de bisschop en de welwillende instemming van de pastoor van de Sint Jan vestigen de Paters zich begin 1868 op de Dwarskade in het 'buitengebied'. Direct wordt achter het huis begonnen met de bouw van een noodkerk. Deze staat op de plaats van de huidige Alfonsuszaal en wat nu de westvleugel van het klooster is. Ze is vrij groot, namelijk zevenentwintig bij veertien meter en biedt plaats aan tweehonderd klap- en vierhonderd knielstoelen. Twee zijaltaren en vier biechtstoelen completeren het geheel. Wanneer de noodkerk op 29 oktober in gebruik wordt genomen, blijkt ze al snel te klein te zijn om alle kerkgangers te kunnen opvangen. Daarom wordt al na twee jaar besloten om de definitieve kerk versneld te gaan bouwen.
Uit verschillende ontwerpen kiest men dat van architect Th. Asseler uit Amsterdam. Hij heeft een gebouw in Romaansbyzantijnse stijl ontworpen. Waarschijnlijk speelt hierbij mee dat de beoogde titelpatroon van de kerk de Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand is, de naam van een byzantijnse Maria-icoon uit de vijftiende eeuw, waarvan de verspreiding aan de Redemptoristen is toevertrouwd. Aan de beide einden van een kleine dwarsbeuk wordt een zijkapel gerealiseerd. De bouw wordt gegund aan de Roosendaalse aannemer P. Stevens als laagste inschrijver.
Met de hulp van vele inwoners, zowel financieel als met menskracht, maakt men het terrein bouwrijp. Zeshonderd heipalen van twaalf tot veertien meter zijn nodig om de slechte, drassige leemgrond te verstevigen. Pas dan durft men het aan om de kerk te gaan bouwen. Het hele oppervlak wordt anderhalve meter uitgegraven om het heien mogelijk te maken. Daarna moet het hele afgegraven oppervlak weer met zand gevuld worden. Binnen drie weken brengen 566 boeren tussen de achtduizend en negenduizend karren zand aan. Hieruit blijkt duidelijk de instemming van de bevolking met de bouw van de kerk. Als de muren zijn opgetrokken, worden glas-in-loodramen aangebracht, vervaardigd door de bekende glazenier Nicolas uit Roermond. Als de frontgevel, gesierd met twee gezichtsbepalende torens, voltooid is, vindt op 19 oktober 1874 de inzegening plaats.
In het begin van de twintigste eeuw wordt duidelijk dat twee kerken niet voldoende zijn voor het groeiend aantal katholieken. Tijdens de zondagsdiensten moeten verschillende gelovigen de viering zittend tegen de achtermuren 'meebeleven'. De paters spelen met de gedachte om hun kerk uit te breiden. Maar ook het bisdom denkt erover om nog twee parochies op te richten. De paters hopen, in verband met de financiën, dat de Paterskerk niet vergroot hoeft te worden als er nog twee kerken bijkomen. Er wordt overlegd met het bisdom. Het bisdom zegt toe, wanneer de paters nu besluiten om hun kerk uit te breiden, geen kerk in hun nabijheid te zullen bouwen dan pas na vele jaren.
Na deze duidelijke afspraak besluit men tot de uitbreiding. De Roosendaalse architect Adriaan de Bruijn neemt het werk op zich, onder beding dat hij het plan onder toeziend oog van de grote Nederlandse bouwmeester dr. P. Cuijpers zal ontwerpen. Door de bekende problemen met de grondstructuur moeten er nu 619 palen van ruim tien meter geslagen worden. Dan kan er verder gewerkt worden. Dr. Cuijpers verlangt enige correcties op het plan en als deze zijn uitgevoerd, wordt de kerk op 25 maart 1909 in gebruik genomen.
Na zoveel jaren is de Paterskerk aan een grondige restauratie toe. Het eeuwfeest is een goede aanleiding om hier samen met de bevolking aan te werken. Naast het grote onderhoud spelen bij de kerkinrichting ook de nieuwere opvattingen over de liturgie een rol. Om de gelovigen meer bij de Eucharistieviering te betrekken, worden er een nieuw priesterkoor en een altaar onder de vieringtoren geplaatst. Door de kerkvergroting van 1909 is het altaar wel erg ver van de gelovigen af komen te staan. De kerkvloer, die door verzakking meer op een golfbaan lijkt, wordt geëgaliseerd, het interieur krijgt een egale zachtgrijze kleur en de glas-in-loodramen, die sinds de oorlog geen eenheid meer waren, worden vernieuwd. Zo is de kerk bij de viering van het eeuwfeest in oktober 1968 weer als nieuw.
Roosendaal binnenkomend op weg naar het Kadegebied ontwaart men al spoedig twee torens, die de weg wijzen naar de Paterskerk. Daar aangekomen ziet men een rustig voorplein met een strak aangelegde sierbestrating van rode klinkers en grijze tegels. Het ontwerp is van architect C. van Moorsel uit Voorburg. Het plein is gedeeltelijk omzoomd met bomen en roept een intieme sfeer op. Midden op dit plein staat het bronzen beeld van de aartsengel Michaël op een bakstenen sokkel met een natuurstenen bovenstuk. Het ontwerp is van Charles Vos uit Maastricht; het is gegoten bij A. Binder in Overveen. Tijdens de oorlog beloofde de rector een beeld te zullen schenken als kerk en klooster de oorlog goed doorstonden. Michaël symboliseert de strijd tegen het kwaad (van het nazisme). Aan de voorzijde staat 'St. Michaël verdedig ons in de strijd' en aan de achterzijde 'in dank aan uw bescherming 1940-1945 '.
Gewoonlijk wordt deze engel afgebeeld met het zwaard in ene en een weegschaal in de andere hand. Dit laatste symbool is niet zo gebruikelijk. Het is ontleend aan de uitvaartliturgie waar gezongen wordt: 'moge de aanvoerder (vaandeldrager) Michaël hen binnenleiden in het eeuwige licht'. Dit is een verwijzing naar de taak die de volksvroomheid aan Michaël toekent: het wegen van de gestorvenen om te kijken of ze waardig zijn voor het eeuwige licht.
De voorgevel van de kerk heeft een ietwat plechtige uitstraling. Een rondboogportaal met naar binnen gerichte bogen doet een welkom vermoeden.. Drie natuurstenen zuiltjes aan weerszijden dragen de drie bogen die niet identiek zijn. De deurposten worden geflankeerd door twee natuurstenen pilasters. Boven dit portaal een wapenschild met de woorden 'Beatae Mariae Virgini de Perpetuo Succurso' (toegewijd aan de H. Maagd Maria van Altijddurende Bijstand), een duidelijke toespeling op Maria als patrones van deze kerk. Het schild is omgeven met twee bloemranken in reliëf. Boven het portaal is een arcade met zes ramen aangebracht, waarvan de twee buitenste zijn dichtgemetseld. Hierboven bevindt zich een roosvenster. De speelse lijn van gele sierstenen die we langs alle vensters zien en het stenen reliëfwerk langs de gehele daklijst maken het geheel minder zwaar. Boven de vieringtoren (de zogenaamde koepel) is een ijzeren kruis met een lengte van twee meter geplaatst en hierboven staat de alom bekende haan.
De kerk binnentredend valt direct, ondanks het altaar onder de koepel, de grote lengte van tweeëntwintig meter op. De breedte is vijftien en een halve meter. Maar ook de serene rust overvalt je. De egale rustgevende kleur en de eenvoudig uitgevoerde glas-in-loodramen dragen hier zeker toe bij. In de absis, gericht op het zuiden, geven zeven smalle hoge ramen voldoende licht, terwijl het licht in de achthoekige koepel via acht rondramen in de kerk valt.
Het eerste dat we bekijken is het nieuwe priesterkoor onder de koepel, gebouwd door architect Hurks. Hier vinden we ook het nieuwe hoogaltaar, ontworpen en uitgevoerd door de Brabantse beeldhouwer Niels Steenbergen uit Oosterhout. De tombe (drie en halve ton) is van Würzburger Muschelstein (schelpkalksteen). Daarop zien we reliëfvoorstellingen van het offer uit het Oude Verbond. Als in een altaargraf worden hier de relieken van twee martelaren uit Oeganda bewaard, Karel Lwanga en Matthias Molumba. Op de rand van het altaarblad (twee ton) is centraal de afbeelding van Christus aangebracht en verder rondom oudchristelijke symbolen die betrekking hebben op de Eucharistie en de nieuwe schepping. Wijnranken (symbool van Christus) en herten (smachtend naar Christus, de bron) completeren het geheel. Sinds 1968 wordt hier de Eucharistie gevierd, waarbij de gelovigen er van vier zijden bij betrokken zijn. Twee gietijzeren ambo's accentueren de afscheiding enigszins.
Het oude hoogaltaar in neo-romaanse stijl bevindt zich in de absis en wordt nu gebruikt als sacramentsaltaar. Het is in 1910 ontworpen door Camille Esser uit Weert en verving het vorige altaar uit 1878. Het tabernakel met de koperen tabernakeldeuren, gemaakt door dr. Cuijpers te 's-Hertogenbosch, is nog van dit altaar afkomstig. Aan weerszijden van het tabernakel zien we in reliëf de vier kerkvaders Gregorius, Augustinus, Ambrosius en Hieronymus. Aan weerszijden van het altaar knielen twee houten engelenfiguren, afkomstig uit de Redemptoristenkerk van Rotterdam. Ze contrasteren enigszins met het geheel. In de zijbeuken zijn acht biechtstoelen geplaatst en samen met de twee biechtstoelen in het linkertransept geven ze aan dat deze kerk bij uitstek een biechtkerk was voor stad en regio.
Het eerste orgel is gebouwd in 1894 en is daarna diverse keren gerestaureerd. De eerste keer al in 1909, toen de firma Franssen uit Roermond het orgel geheel vernieuwde. De eikenhouten balustrade stamt uit 1910-1912. Hierin zijn medaillons aangebracht van St. Cecilia, patrones van de kerkmuziek, en van Gregorius, naar wie een bepaalde stijl van kerkmuziek is vernoemd. En aan de andere zijde Augustinus en koning David, aan wie de psalmen worden toegeschreven, afgebeeld met harp. In 1922 wordt de zangtribune vergroot en staat nu één pilaar verder de kerk in. Maar in 1937 worden zowel ombouw als orgel totaal vernieuwd. Dit werk wordt uitgevoerd door de firma Pels en Zn uit Alkmaar, hierbij geadviseerd door de eigen musicus en componist broeder Anselmus. Daarna blijft het orgel nog regelmatig groot onderhoud vragen.
Het huidige elektromagnetische orgel bestaat uit een vrij pedaal met zes registers en manualen met zeventien registers. Het aantal pijpen bedraagt 1104. Vanwege de vaak gecombineerde functie van dirigent-organist staat de speeltafel los van het pijpenfront.
We gaan onze tocht beginnen links achter in de kerk. Enigszins verborgen in een nis, is daar op een houten console een piëta geplaatst. Dit beeld, vervaardigd door de Bossche kunstenaar J. Cuypers, werd op 2 februari 1880 ingewijd, een tijd waarin de verering van de lijdende Moeder en haar Zoon zeer in trek was.
Vervolgens komen we aan bij een van de drukst bezochte onderdelen van deze kerk: de Mariakapel. De kapel is gebouwd om de icoon van de patrones van de kerk een ereplaats te geven. De icoon dateert uit 1869 en werd al vereerd in de noodkerk. Ze is afgeleid van het origineel dat in de vijftiende eeuw op Kreta werd geschilderd en in 1498 naar Rome werd overgebracht. Het beeldt Maria uit met het kind Jezus op de linkerarm. Aan beide zijden van de hoofdfiguur is een engel met de lijdenswerktuigen geschilderd. Het angstige Kind zoekt duidelijk bescherming bij Zijn Moeder, een schoentje hangt er nog los bij. Het altaar is van wit en grijs marmer en een ijzeren sierhekwerk uit 1887 sluit rechts de kapel af. Op een schilderij rechts heeft A. Damen in 1881 uitgebeeld hoe Pius IX vijftien jaar eerder de verering en verspreiding van de icoon aan de Redemptoristen toevertrouwt. Een houten kast met ex-voto's uit dank voor gebedsverhoringen getuigt van de verering van deze icoon. Op de rand staat 'facta es nobis domina in refugium' (Vrouwe, u bent voor ons een toevlucht geworden). De ingang van de kapel wordt geflankeerd door de beelden van de ouders van Maria: links Joachim en rechts Anna met het kindje Maria.
Verder gaande passeren we aan de linkerzijbeuk drie marmeren neogotische beelden uit de negentiende eeuw, voorstellend Jezus aan het Kruis, met Maria en Johannes. Deze beeldengroep is afkomstig uit het familiebezit van de familie Dreesmann uit Amsterdam.
Dit altaar werd opgericht in 1882. Boven is de H. Familie afgebeeld. Daaronder zien we Jezus temidden van Maria en Anna. Verder zien we enkele mannenfiguren: Johannes de Doper en de drie echtgenoten van Anna. Volgens een apocrief evangelie zou Anna drie echtgenoten hebben gehad en deze worden hier samen met Jozef uitgebeeld. De andere vrouwen zijn waarschijnlijk Elisabeth en Maria van Kleophas.
Op de vier medaillons van de altaartombe zien we Henri Belletable, de stichter van de aartsbroederschap van de H. Familie, mgr. van Bommel, de toenmalige bisschop van Luik waar de H. Familie is gesticht, de Redemptoristenkardinaal Dechamps, aartsbisschop van Mechelen, en Pius IX. Op de onderste rand zien we klein afgebeeld het wapen van de Congregatie van de Redemptoristen en het wapen van Roosendaal.
Dit altaar is, evenals het H. Hartbeeld, ontworpen door pater L. Luyckx in 1909 en uitgevoerd door de firma van Bokhoven uit 's-Hertogenbosch. Het heeft een gebeeldhouwd achterstuk (retabel) waarop we de afbeeldingen van het Lam en de Pelikaan zien, twee symbolen die de zelfgave van Jezus uitbeelden. Het H. Hartbeeld heeft een eigen uitdrukking, namelijk van zowel de bekende H. Hartuitbeelding als van de verheerlijkte Christus gezeten op de wolken. Daarmee wil de ontwerper uitdrukken dat zijn lijden uit liefde voert tot de verheerlijking. Op het altaar staat een verguld tabernakel, dat vroeger dienst deed tijdens het uitreiken van de H. Communie op zon- en feestdagen.
Dit neo-romaanse zijaltaar uit het atelier Peeters te Antwerpen is van 1909. St. Josef, die als patroon van de Kerk wordt vereerd, is hier afgebeeld met het schip als symbool van de Kerk Het beeld werd al in 1879 geplaatst in de vorige St. Josefkapel (de huidige Gerarduskapel). Op het retabel zien we een massa mensen: het Volk Gods op weg. Links staat de kerk afgebeeld met de paus die St. Josef vereert, rechts groep gelovigen die ook St. Josef vereert.
Ook dit beeld van St. Alfonsus werd in 1909 gemaakt door de Antwerpse beeldhouwer. Rond dit beeld wordt links de goedkeuring van de Regel door Clemens XII uitgebeeld en rechts de bisschopswijding van Alfonsus. Op de voorzijde van de altaartombe zien we het offer van Abraham. Dan lezen we de Latijnse tekst, verwijzend naar zijn afkomst uit het Koninkrijk Napels: 'quasi sol refulgens Sicilie effulsit in templo Dei' (Stralend in de tempel van God, zoals de zon van Sicilië). Ook hier staat een tabernakel op het altaar dat vroeger dienst deed bij het uitreiken van de H. Communie op zon- en feestdagen.
Deze kapel is gewijd aan de H. Gerardus Majella (1726 -1755), een broeder Redemptorist, die in 1904 heilig werd verklaard. Zijn beeld, dat geplaatst werd bij zijn zaligverklaring in 1893, is een centrum van volksvroomheid geworden. In 1945 verzorgde zijn medebroeder, de schilder-beeldhouwer pater Mathot de nieuwe schildering. Boven in de absis engelen die de erekroon aanbieden en daaronder de vele mensen die de voorspraak van deze heilige inroepen en hem komen vereren. Op de muur lezen we het levensmotto van de heilige: 'wat God wil, zoals God wil en zolang God wil'.
In 1948 ontwierp pater Mathot de glas-in-loodramen, die uitgevoerd zijn door P. Wiegersma. Ze stellen legendes voor uit het leven van de heilige. Links de duivel die Gerardus bekoort en rechts Maria die het kindje Jezus met Gerardus laat spelen. Ook hier bevindt zich een houten kast met ex-voto's geschonken na gebedsverhoringen. De ingang van de kapel wordt geflankeerd door de beelden van H. Clemens, M. Hofbauer en de H. Antonius van Padua. Ook hier sluit een ijzeren sierhek de kapel af.
Kroniek van het klooster Roosendaal
Huisarchief van de paters Redemptoristen te Roosendaal.
Provinciaalarchief van de paters Redemptoristen te Wittem
'Herders zonder kudde' door Theo de Caluwe
Samenstelling: H. de Jong
Plaats en jaar van uitgave: Roosendaal, oktober 2002
Lay-out: N. de Boer (Gemeentearchief Roosendaal)
Drukwerk: huisdrukkerij Gemeente Roosendaal
Copyright: 2002. Alle rechten voorbehouden aan de uitgever (Gemeente Roosendaal). Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in welke vorm en op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.